SGP stelt vragen over keuzevrijheid hulp bij huishouden
Het college heeft een besluit genomen die de keuzevrijheid van klanten duidelijk vermindert. Nieuwe klanten krijgen in minimaal 80% nu hun gewenste hulpaanbieder. Klanten die al hulp bij het huishouden krijgen, hebben nu aanmerkelijk minder kans dat ze hun zelfde, vertrouwde hulp weer krijgen. De keuzevrijheid wordt dus ingeperkt.
Hierbij de vragen die wij het college hierover stellen:
De SGP-fractie heeft kennisgenomen van de nota 2010-020938 "Aanpassing
hulptoewijzingscriteria 2011 voor wat betreft hulp bij het huishouden".
De kern van dit collegebesluit houdt in dat de wegingsfactoren voor het
toewijzingscriterium 'kortingspercentage' per 1 januari 2011 worden aangepast. In concreto
betekent het dat het kortingspercentage voor 'oude klanten' de punten verhoogd worden
van 12 naar 17 punten en voor de 'nieuwe klanten' van 15 naar 25 punten. Dit om meer
marktwerking te realiseren.
Dit heeft echter een direct effect op de keuzevrijheid van onze burgers. De klantvoorkeur, die tot nu toe voor zo'n 95% werd gehonoreerd (95% van de voorkeur van de klant voor de door hem gewenste hulpaanbieder werd ook daadwerkelijk toegewezen), zal duidelijk minder vaak gehonoreerd worden. Nu blijkt uit de nota dat dit voor 'nieuwe klanten' slechts "in minimaal 805" de klantvoorkeur gehonoreerd wordt. Voor de 'oude klanten' zal dat een wat hoger percentage zijn, maar toch substantieel minder dan de eertijds beoogde 95%.
In gewoon Nederlands: Als een Katwijker hulp bij het huishouden nodig had, had hij de mogelijkheid om zijn voorkeur voor een bepaalde hulpaanbieder aan te geven. Iemand kan een nadrukkelijke voorkeur hebben voor bijvoorbeeld Curadomi of DSV, omdat hij vindt dat dat beter past bij zijn eigen levensopvatting. Hij krijgt zo iemand regelmatig over de vloer die affiniteit heeft met zijn christelijke geloofsovertuiging. Tot nu toe werd 95% van zijn voorkeur gehonoreerd. Door deze aanpassing loopt hij een duidelijk grotere kans dat hij hulp krijgt die hij liever niet had gewild. Ook de kans dat hij zijn vertrouwde hulp in het huishouden, die hij de afgelopen jaren heeft gehad, kwijtraakt is nu groter geworden. Er is meer kans dat er jaarlijks andere gezichten over de vloer komen. Dat zal niet tot vreugde zijn van de klant. Zijn keuzevrijheid wordt daarmee duidelijk ingeperkt.
De SGP-fractie is onaangenaam verrast door dit collegebesluit. Zowel het vorige college als de raad hebben duidelijk aangegeven dat kwaliteit en keuzevrijheid van groot belang zijn.
Het college heeft op 15 juli 2008 expliciet besloten om de klantvoorkeur zwaar te wegen. De wegingsfactor is daarbij op een zodanig aantal punten bepaald dat naar verwachting 95% van de klantvoorkeuren gehonoreerd zal worden. Het college heeft tijdens de vergadering van commissie Welzijn op dd. 09/09/2008 bij monde van de toenmalige wethouder W.J. van Duijn het volgende aangegeven: Hij "refereert aan de vergadering van 19 mei jl. waarin de commissie en het college het belang van kwaliteit en keuzevrijheid nogmaals hebben benadrukt. Het college heeft er principieel voor gekozen – ondanks de extra kosten - dat in 95% van de gevallen de voorkeur van de zorgvrager wordt gehonoreerd".
Commissie Welzijn heeft zowel op 19/05/2008 als op 09/09/2008 de lijn van het toenmalige college om de keuzevrijheid hoog in het vaandel te voeren unaniem gesteund en het belang van de kwaliteit en keuzevrijheid diverse malen benadrukt. Het was een duidelijk kader die door de commissie was uitgesproken. Dat was al eerder duidelijk bij de discussie over de PGB. In het begin van de vorige periode heeft het college een ruimhartige PGB-constructie ingesteld om daarmee de keuzevrijheid zo optimaal mogelijk te laten zijn. Tijdens de begrotingsraad van 02/11/2006 steunde een motie van SGP, CDA en CU de ingezette lijn van het college om via de PGB de keuzevrijheid te optimaliseren.
Voor de SGP-fractie heeft deze keuzevrijheid zowel een principiële als een praktische component. Principieel omdat wij van mening zijn dat een burger die hulp moet kunnen kiezen en krijgen die het beste bij zijn levenssfeer past. Hij die nadrukkelijk een identiteitsgebonden hulpaanbieder wil, moet die kunnen krijgen. Maar ook hij die dat nadrukkelijk niet wil, moet ook conform zijn wens die hulp kunnen kiezen die bij hem past. Praktisch omdat mensen gewend raken aan hun hulp die regelmatig over de vloer komt en daar een band mee opbouwen. Nu is de kans echter groter dat zij elk jaar een ander gezicht over hun vloer krijgen. Daar zullen ze niet vrolijk van worden.
De SGP heeft daarom een aantal vragen aan het college:
- Was het college bij het nemen van het besluit tot wijziging van de wegingsfactoren zich bewust dat het daarmee nadrukkelijk afweek van de tot nu toe gevoerde lijn om de keuzevrijheid optimaal te realiseren voor zijn burgers?
- Het was destijds een principiële keuze van het college om te kiezen voor 95% honorering van de voorkeur van de burger, ondanks de extra kosten. Waarom wijkt het college nu van dit principe af? Zijn financiële overwegingen genoeg rechtvaardiging voor deze keuze?
- Keuzevrijheid is altijd een belangrijk punt voor de raad geweest. Bij herhaling heeft de raad (zowel bij de PGB als bij HbH) dit sterk benadrukt. Dit collegebesluit tast substantieel de keuzevrijheid aan. Waarom is het college in gebreke gebleven om dit voornemen van het college actief ter bespreking voor te leggen aan de raad, aangezien de raad daarover een duidelijk beleidskader heeft aangegeven en dit besluit daarvan afwijkt?
- Is het college bereid om op zijn schreden terug te keren en alsnog de keuzevrijheid, conform de wens van de raad (die immers niet heeft aangegeven dat hij van mening veranderd is), weer te optimaliseren voor de burger?
- Wat is de reactie van de WMO-adviesraad op deze inperking van de keuzevrijheid?
- Is het college voornemens om dit besluit, indien het college toch dit besluit doorzet, te communiceren naar de burgers, in het bijzonder naar de doelgroep?
D. Remmelzwaal




